De eerste cultuur van het jaar draaide rond eenzaamheid in alle vormen die mensen met het eigenlijk onaanspreekbare doet spreken.
Eerst was er Castaway op tv, een Robinson Crusoe(*)-achtige film met Tom Hanks, waarin het aangespoelde hoofdpersonage een innige band met Wilson opbouwt, een volleybal met een vlek van een bebloede hand (gesneden bij een poging vuur aan de gang te krijgen), afgewerkt met stokjes. Hoe Hanks dat doet, solo op een eiland, is gewoonweg schitterend. En ook in het algemeen: het loopt redelijk goed af, maar minder zeemzoeterig dan ik gedacht had. Met een prachtige close-up van Hanks als aflsuitend vignet.
Net in die dagen las ik J. Bernlefs Onder ijsbergen, een detective-achtige novelle in een Groenlandse setting. Niet helemaal overtuigend (beetje wankele opbouw), maar ik was ervoor in de stemming, en Bernlef schrijft best goed.
Schitterend is het relaas van een toneelstuk naar een anekdote van Peter Freuchen (zie beeld). Die verhaalt de wedervaren van twee jagers, Olav en Gustav. Terwijl Olav tot dusver elk jaar een even zwijzame, op het jagen gefocuste kompaan meenam naar de afgelegen blokhut, waar maanden slechts over het vuur, het wild en de sneeuw werd verteld, is Gustav een belezen intellectueel die Olav laat delen in zijn enthousiasme. Maar niet lang na hun aankomst wordt Gustav doodziek. Hij sterft in het koude huis, en Olav is radeloos.
[Olav] is gewend geraakt aan coversatie, aan taal. Aan cultuur misschien. [...] Eerst praat Olav in zich zelf. Maar dan begint hij tegen de dode Gustav in bed te praten. Hij weet dat het onzin is, maar hij doet alsof Gustav alleen maar slaapt. Olav is alleen. Hij werkt keihard, hij moet nu het werk voor twee verrichten en de honden moeten te eten hebben. ’s Avonds is hij moe en eenzaam. Kortom, op een avond haalt hij de dode man uit bed en zet hem tegenover zich aan tafel. Terwijl hij zit te eten praat hij met Gustav en geeft zich zelf de antwoorden die hij denkt dat Gustav hem gegeven zou hebben. Hij weet de hele tijd dat hij een spel speelt, maar hij weet ook dat hij echt gek zal worden wanneer hij met dat spel ophoudt.
Olav stookt stookt zo weinig mogelijk maar hij kan toch niet voorkomen dat het lijk langzaam ontdooit. Dan maakt hij niet ver van de blokhut een graf. Of liever: een bergplaats voor het lichaam. Een kuil bedekt met stenen. En weer is hij alleen. Hij praat in zich zelf, speelt de dubbelrol van Gustav en Olav. Na een paar dagen houdt hij dat spel niet langer vol. Hij haalt Gustav weer te voorschijn en zet hem op zijn oude plaats aan tafel. Dan ziet hij de eerste sneeuwmus.
Die kondigt de lente, de dooi aan, en Olav weet dat hij er een eind aan moet maken. Enkel een geweerschot kan een orgelpunt zijn: Olav schiet Gustav neer.
‘Nu zullen ze me geloven,’ fluisterde hij. ‘Nu zal iedereen geloven dat je dood bent Gustav’.
Twee beelden die wel nog even zullen blijven spoken, vrees ik.
(*) Lees ook betonblog.